|
“Het boom staat naast de huis”
Hoewel dit natuurlijk maar één van de taken is, zijn voorscholen onder andere bedoeld om taalachterstanden bij kinderen weg te nemen.
De constatering dat een aantal leidsters — veelal afkomstig uit de doelgroep — zelf moeite heeft om correcte zinnen te formuleren (“Lidwoorden werden verward, de articulatie was verkeerd,” aldus Fouad Sidali, in het Parool) leidde dan ook tot ophef. Tegelijkertijd wordt er driftig gediscussieerd over het regievraagstuk. Zo stelt René Peeters (Openbaar Onderwijs West) dat kinderen vanaf 2.5 jaar ‘leerrecht’ zouden moeten krijgen. En dan kom je uiteraard al snel bij de scholen als regiehouders uit; een visie die overigens wordt gedeeld door het stadsdeelbestuur van De Baarsjes.
OSA vindt echter dat het huidige model, waarbij Welzijn de regie voert over de voorschoolse periode, duidelijk meerwaarde heeft. Welzijn is een bruggenbouwer pur sang, die vanuit een breed maatschappelijk perspectief werkt. Binnen de OSA werkgroep VVE - waar zowel de partners van welzijn als kinderopvang in vertegenwoordigd zijn - wordt de gezamenlijke visie verwoord. Ook zal de dialoog over de inhoud aangegaan worden met onderwijs en de gemeente/stadsdelen. Dit zal gebeuren binnen de stuurgroep Succesvolle Schoolloopbaan waar welzijn voor het eerst aan gaat deelnemen.
Vergroten betrokkenheid ouders De OSA werkgroep VVE wil de belangrijke rol van de ouders benadrukken. Juist de ouders leveren immers een wezenlijke bijdrage aan de taalontwikkeling van de kinderen. Vanuit deze gedachte speelt Welzijn een rol binnen de regie voor de voorschoolse periode. Er wordt een onderzoeksvoorstel gemaakt om ouders te bevragen naar hun mening en beleving over/van de voorschool. De vooronderstelling die bij welzijn leeft - dat ouders binnen de aanpak van de voorschool een dusdanige betrokkenheid krijgen die belangrijk is voor de verdere ontwikkeling van het kind — zal daarin getoetst worden.
De praktijk moet centraal staan Nog los van de vraag voor welk regiemodel gekozen moet worden, onderschrijft OSA de gedachte dat leidsters moeten beschikken over voldoende taalkennis. Maar wat is ‘voldoende’? En moet het zwaartepunt liggen op mondelinge of schriftelijke uitdrukkingsvaardigheden? Binnen het platform Taalnorm VVE — een samenwerkingsverband van SAS, DMO, Impuls, ROCvA, ROC ASA, ABC en OSA — is geconcludeerd dat de taalnorm betrekking moet hebben op ‘praktijkgebruik’. Uit de ongeveer 1.000 (!) betrokken leidsters zal een percentage bijgeschoold moeten worden en momenteel wordt het programma Verbetering Taal ontwikkeld. De eerste fases van dit programma (vaststelling norm en toetsing leidsters) wordt gefinancierd door DMO en SAS. Welke stakeholders (werkgevers, stadsdelen, beroepsopleidingen et cetera) met elkaar kosten voor de bijscholingsprojecten voor hun rekening moeten nemen, wordt nader onderzocht.
Meer informatie bij Ellen Bremerman: e.bremerman [at] osa-amsterdam.nl of 020-4125010 |